B.P. Heijenga, verzetsstrijder

Zijn rol bij de Marechaussee

De documenten in het dossier die betrekking hebben op Berend Pieter Heijenga vertellen een stukje geschiedenis van de Marechaussee tijdens en na de oorlog en in het bijzonder de rol die Heijenga daarin gespeeld heeft. Omdat dit dossier tot mij is gekomen onder noemer 'NSB-dossier' moet uitgezocht worden, in hoeverre de rol van Heijenga als Marechaussee 'goed' of 'fout' was. 
Alle ambtenaren zijn na de oorlog onder de loep genomen om te onderzoeken of ze wel zuiver op de graat zijn geweest. In het Nationaal Archief kom ik dan ook in het Politiezuiveringsdossier de naam van Berend Pieter Heijenga tegen. De 'kwestie Heijenga' is zelfs meerdere keren aan de orde geweest. Wat was de reden?

Na mei 1940 is Heijenga onder het Wapen der Marechaussee terechtgekomen. Opmerkelijk is dat hij vanaf 19 augustus 1940 Marechaussee te voet werd met standplaats Aalten.  Deze plaats staat bekend om de vele onderduikers die het tijdens de oorlog heeft ondergebracht. Dit waren jonge mannen die aan de verplichte Arbeitseinsatz probeerden te ontkomen, verzetsmensen, joden en piloten. Welke rol heeft Heijenga in Aalten gespeeld?

Op 1 maart 1943 werd Heijenga 'Wachtmeester groep Geldermalsen, post Wadenoyen'. Hij zou ongenoegen hebben met de groepscommandant omdat hij niet van plan was om een proces-verbaal op te maken van de vernieling van het Wehrmachtsbord. Heijenga heeft toen gereageerd op een oproep voor chauffeurs bij de Befehlshaber der Ordnungspolizei (B.d.O.), waarna hij op 25 oktober 1943 als motorordonnance bij de Staf B.d.O. te Arnhem gedetacheerd werd. 
Op 1 maart 1944 kwam hij in dienst bij Gewest Arnhem voor 90 gulden per maand. 

De Slag om Arnhem 17 september 1944

Als chauffeur/ordonnance bij de Ordnungsdienst heeft Heijenga volhard in het feit dat hij geen Duits uniform wilde dragen. Hij was daarin de enige Marechaussee die dit weigerde. Kennelijk heeft de Staf B.d.O. daarin berust. Bij mij rijst de vraag, waarom de Duitsers dit toelieten?

En dan breekt 17 september 1944 aan: de geallieerde luchtlandingstroepen zijn geland en de Slag om Arnhem breekt aan. Heijenga zit in Arnhem en is onderdeel van het Duitse systeem. Hij duikt dan ook onder, samen met onderwachtmeester-chauffeur Du(c)kers. 

Vanuit zijn onderduikadres wordt Heijenga diverse malen door Reserve-Kapitein A.R. Bestebreurtje ingezet voor speciale opdrachten. Arie Dirk (Harry) Bestebreurtje was ten tijde van de Slag om Arnhem ingedeeld bij het Airborne Corps dat in de omgeving Arnhem-Nijmegen actief was. Bestebreurtje was Kapitein bij de Koninklijke Nederlandse Landmacht en had zich als vrijwilliger aangemeld bij de Special Forces (B.R.A.). In september was hij bevelvoerder van een Jedburgh verbindingseenheid dat verantwoordelijk was voor de contacten tussen de ondergrondse verzetsstrijders en de geallieerde troepen.

Tot zijn taak behoorde de ondersteuning en begeleiding van de geallieerde troepen. Hij moest hen helpen om sleutelposities zoals bruggenhoofden en andere belangrijke plekken en objecten in de omgeving van Nijmegen in te nemen. Voor deze taak zette hij de voormalige Nederlandse Politie in, die moest gaan surveilleren op plekken in de stad waar niet gevochten werd. Ze moesten ervoor zorgen dat de rust daar bewaard zou blijven. 

In september waren speciale stoot-en bewakingstroepen in het leven geroepen en daarvoor waren instructeurs nodig. Daarom werd besloten om een Jedburgh-team naar bevrijd gebied te sturen. In Operatie Jedburgh, geheime geallieerde missies in Nederland 1944-1945 (J. Hooiveld) staat: 

Aan de basis van dit trainingsteam stond de ploeg van kapitein Bestebreurtje (...) na afloop van Operatie Market Garden was alleen Sergeant Beynon namens team Clarence naar Engeland gegaan om verslag uit te brengen over de krijgsverrichtingen van de Jedburghs. (...) In het kader van de vervolgmissie van team Clarence werden kapitein Bestebreurtje en Sergeant Beynon weer in Nijmegen gestationeerd. De ploeg Bestebreurtje begon vanaf dat moment te opereren onder de codenaam Stanley II. Begin oktober 1944 ving het team aan met een geïmproviseerde militaire basisopleiding voor de stoottroepen. Al in de tweede week van oktober werd de 1e compagnie Stoottroepen ter beschikking gesteld aan het Second British Army. De Britten zetten deze Nederlandse eenheid in langs het Waalfront in de sector Boven-Leeuwen, Wamel en Dreumel (ten westen van Nijmegen). In dit gebied (...) staken vrijwel iedere avond kleine Duitse eenheden de Waal over om vernielingen aan te richten, krijgsgevangenen te maken of inlichtingen te verzamelen. De stoottroepen kregen opdracht om zuiveringsacties uit te voeren en deze Duitse infiltratiepogingen te voorkomen.

Bestebreurtje was, naast zijn taak als instructeur voor de stoottroepen vooral vanaf oktober betrokken bij de Waalcrossings. Aan de overkant van de Waal bij Tiel bevonden zich drie Nederlandse informaten die informatie over de Duitse stellingen aan de kapiteins van de Jedburgh-teams doorsluisden, zodat de geallieerden gericht die stellingen onder vuur konden nemen.

In hoeverre Berend Pieter Heijenga een rol in dit verhaal gespeeld heeft, is niet bekend. Aannemelijk is dat de opdrachten die hij onder Bestebreurtje en Janssen moest uitvoeren hier wel verband mee hielden.

Het Politiezuiveringsdossier

In het Politiezuiveringsdossier bij het Nationaal Archief bevinden zich brieven uit oktober 1944 waaruit blijkt dat de 'kwestie Heijenga' toen al speelde. Hij had immers als Marechaussee in Duitse dienst gewerkt en kennelijk was dat aanleiding voor de briefwisselingen.

Op 7 oktober 1944 schrijft Reserve-Kapitein J.F.J. Janssen een brief aan Adrianus Idarinus Oerlemans, Kapitein/Commissaris van de Rijkspolitie. Oerlemans kreeg direct na de bevrijding van het zuiden van Nederland het bevel over de politiezuivering. Vanaf 19 september werd hij door het Militair Gezag belast met het onderzoek naar collaboratie. Duizenden politiemensen moesten worden gescreend. Agenten die met de Duitse bezetter hadden gecollaboreerd, denk aan NSB-leden en Jodenjagers, moesten worden opgespoord, geschorst of ontslagen worden. In zijn brief schrijft Janssen:

Wachtmeester Heijenga ken ik reeds van de mobilisatie. (...) Omstreeks oktober 1943 kwam hij mij plotseling opzoeken en sindsdien bezocht hij mij geregeld en van lieverlede kwam weer het gesprek op sabotage en ondergronds werk o.a. te Aalten. (...) Duckers heb ik slechts enkele keer gesproken, maar Heijenga sprak dikwijls over hem. (...) Mocht Heijenga mij willen verraden, dan had hij dat gemakkelijk kunnen doen.

Op 9 oktober 1944 schrijft hij wederom een brief aan Oerlemans waarin hij stelling neemt voor Heijenga:

In de kwestie Heijenga kan ik u mededelen, dat ik voor 100% achter dezen sta, dat is mijns inziens, gezien mijn staat van dienst, officieel bevestigd door de moffen, voldoende.

Verder verklaart Janssen in een brief op 24 september 1944 dat Heijenga met de geallieerden heeft samengewerkt:

Op zondag 17 september is hij ondergedoken met onderwachtmeester-chauffeur Duckers. Hij heeft samen met hem van de Over-Betuwe uit inlichtingen verschaft aan militairen.

In een politierapport van de Algemene Politie Provincie Gelderland, Politieke Dienst is er een onderhoud geweest met Heijenga. Het ging daarbij om een verhoor met H. van Raay, werkzaam bij de Grüne Polizei (Staf B.d.O). Heijenga stond als collega in het verdachtenbankje, maar hij werd door rechter Cals vrijgesproken. Echter, vlak daarna kreeg rechercheur Schaeffer de zaak van Van Raay weer in behandeling. Heijenga werd werderom opgeroepen en gehoord. In het rapport werd genoteerd dat Heijenga 'heel vreemd' reageerde. Hij zou zich bovenmatig voor Van Raay geïnteresseerd hebben. Er ontstond bij de verhoorders ernstige twijfel aan de politieke gesteldheid van Heijenga. Van Raay had namelijk zelf verklaard dat hij lid geweest zou zijn van de Nederlandse SS, maar Heijenga beweerde dat dit niet waar kon zijn en probeerde Van Raay langs alle kanten vrij te pleiten.

Vrijspraak

Op 8 mei 1946 wordt er vanuit Den Haag van het Departement van Justitie, afdeling Politiezuivering door J.H.G. v.d. Berg, Commissaris van Rijkspolitie in Algemeenen Dienst, een brief geschreven aan het Directoraat-Generaal van Politie t.a.v. Hoofd Bureau Juridsche Zaken. Het Directoraat-Generaal bestond op 8 mei formeel echter niet meer. Het had namelijk te sterke banden met de Duitse bezetter. Op 5 mei was de Directeur-Generaal afgezet en op 8 mei werd de leiding over het politieapparaat weer overgenomen door de ministers van Binnenlandse Zaken. Kennelijk zat de Minister van Defensie in zijn maag met de 'kwestie Heijenga'. Uit de aanhef blijkt wel dat hij niet de enige zou zijn die zich geen raad wist met Heijenga; een mooi staaltje van naoorlogse bureaucratie:

De Minister van OOrlog wenscht iets te weten van de politieke betrouwbaarheid van Berend Heijenga, geboren 25-2-1916, wonende te Rotterdam en zijnde Marechaussee in het Gewest Arnhem. Zijne excellentie heeft dit verzoek gezonden naar den Commandant van de Marechaussee, die het doorzond naar den Commandant van de 2e divisie van het wapen. Deze zond het door naar den Algemeen Inspecteur, die het op zijn beurt weer in handen stelde van den Commandant van het Gewest 's Gravenhage. Deze commandant zond de stukken aan den Commandant van de Politie Reserve, die het weer zond aan het Hoofd van het Bureau Rijkspolitie, die het deed toekomen aan de Juridische Afdeeling van het Departement, waarna het mij in handen werd gelegd.

Uit een afschrift van een op 13 october 1943 verzonden telexbericht o. 1040 blijkt dat Heijenga zich 'vrijwillig' heeft gemeld als motorordonnance bij den Befehlshaber der Ordnungspolizei te Arnhem. Uit de archieven blijkt dat hij op 25-10-1943 aldaar gedetacheerd werd.

Bij de allereerste zuiveringsonderzoeken, die in Nijmegen na de bevrijding zijn gehouden, heft de Res. Kapitein J.F.J. Janssen, plaatselijk commandant van de N.S.B.  verklaard dat hij 100% achter Heijenga stond. Mondeling schijnt bedoelde kapitein medegedeeld te hebben dat Heijenga zijn detacheering heeft gedaan in overleg met de illegaliteit, hetgeen echter in de verklaring, die door dien kapitein is afgegeven, niet blijkt. Een afschrift van die verklaring gaat hierbij.

Men heeft in Nijmegen destijds angenomen dat dit inderdaad waar was en men heeft op die gronden geen zuiveringsdossier van hem aangelegd. 

Alhoewel zulks niet voor 100% is bewezen, meen ik toch, dat het tegendeel ook niet bewezen is en zal men dus dienen aan te nemen, dat zijn detacheering een goede achtergrond had. Practisch zijn dan ook alle dergelijke lieden ontslagen, doch Heijenga en nog enkele andere niet.

In zijn voordeel pleit, dat hij op 17-9-1944 was aangewezen om met de staf van den B.d.O. te vertrekken, doch hij heeft zulks niet gedaan maar is ondergedoken. Daarna heeft hij dienst gedaan bij de stadspatrouilles in Nijmegen.

Onder de gegeven omstandigheden zie ik dan ook geen aanleiding om alsnog hem voor een zuivering in aanmerking te laten komen.

De diverse Bijlagen gaan hierbij terug.

Verzetskruis of Verzetsherdenkingskruis?