Der braune Gipfelstürmer
De heilige Franciscus van Assisi was bij mij bekend. Ik zat op een katholieke middelbare school, gevestigd in een Franciscaans klooster . Toen ik daar in 1979 kwam, maakten de mooie 'Jugendstil'-gangen indruk op mij. Die tegeltjes op de vloer waren superglad. Met onze cowboylaarzen met ijzerbeslag gaf het ook een enorm 'geklik' in die gangen met hoge gewelven. We ontdekten dat je op die tegels heel goed baantje kon glijden, wat we dan ook deden.
Ik herinner mij nog hoe ik samen met mijn vriendinnetje op de eerste dag al luid lachend door die gangen sjeesde en op de hoek bijna uit de bocht vloog. We werden allebei opgevangen tegen de buik van een monnik, die zijn grote handen op onze schouder legde en indrukwekkend rustig ons vermaande: "Dametjes, dametjes, rennen doen we hier niet, onthoud dat!" We wisten niet hoe gauw we ons uit de voeten moesten maken! Dat was mijn tweede ontmoeting met een monnik.
Van Br. Konrad wist ik al dat hij tot een bedelorde behoorde. Dat hadden mijn ouders mij al verteld. Ik merkte het ook hoe hij door de Oostenrijkers ontvangen werd. Hij moest overal even binnenkomen om een hapje te eten, koffie te drinken of alleen maar een praatje te maken en in de bus hoefde hij niet te betalen. Dat was mij opgevallen. Ik vond het altijd ontzagwekkend hoe hij zwaaiend met het kralenkoord om zijn pij het kruisteken maakte en de mensen zegende, prachtig vond ik dat!
der Ringelepater' Konrad
Er was ook een bijzonder ritueel waarvoor hij bij vele huizen naar binnen ging: de kinderen verzamelden zich rond de tafel, dan kregen ze naast de zegen een mooi ringetje. Ook ik heb zo'n ringetje gekregen: goudglanzend met een fonkelend rood steentje erin.
Voor de kinderen was het een groot feest als Br. Konrad kwam. Ze wisten allemaal dat hun 'schatkist' weer aangevuld zou worden met een mooi ringetje en de grote vraag was: voor welke kleur zal ik dit jaar gaan? Zodra de broeder in aantocht was, verzamelde de hele familie zich rond de tafel en alle ogen waren gericht op dat zakje dat hij tevoorschijn toverde en op tafel omkeerde; bedelende kinderen rondom de bedelmonnik!
Maar waarom deed hij dat, wat was de betekenis achter dit ritueel?
Zou het ritueel met de ringen iets te maken hebben met de 'ringen van Br. Juniperus'? De monnik geeft op een dag de ringen van het altaarkleed waar hij op moet passen aan een arme vrouw die bij hem bedelt. De franciscaanse broeder volgde de regels van de heilige Francisus van Assisi: Hij had niks om te geven, maar waar dienen die ringen op het altaarkleed nu voor, wat zijn ze waard? Help de arme medemens waar je kunt en geef wat je kunt geven. Hij gaf de ringen.
Ik vind 'de ringen van Br. Juniperus' een grappig verhaal, maar zie er nog geen verklaring in waarom Br. Konrad als bedelmonnik notabene, zulke potsierlijke gouden ringen uitdeelde. Wat was daar de reden van?
Navraag bij de Kapuzinerdelegation Tirol leverde enkel de informatie op dat het een regionaal gebruik was bij sommige kapucijnen en vooral in Tirol een populaire traditie. Het was de gewoonte om kleine geschenken te geven ter bevordering van het religieus denken.
Of een glinsterend ringetje daartoe bijdraagt, ik betwijfel het. Het leek mij nogal tegenstrijdig met de eenvoudige levenswijze van de bedelmonniken, een leven waarbij zij zich niet zouden mogen hechten aan eigen bezittingen, geen pronk en praal dus, om maar zo te zeggen.
Ik besloot het na te vragen bij Br. Paulus van de Kapuzinergemeinschaft St. Anton in München. Ik noem hem de PR-broeder van de kapucijnenorde. Dagelijks is hij op internet te volgen met zijn 'Tagessegen'. De kapucijn gaf mij per ommegaande een verhelderend antwoord, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben!
Ein Strahlen
in die Augen der Kinder
zaubern
Br. Konrad, der 'Ringelepater', wilde kinderogen laten stralen en dat lukte hem met die glinsterende ringetjes. Moet je kijken naar die snoetjes op de foto, die blije gezichtjes!
En het mocht ook, dat verwennen met die snuisterijen. Want, zo denkt Br. Paulus, het behoort tot de natuur van de mens dat hij van mooie dingen houdt en hebberig wordt.
Ook al lijkt dat in strijd met de franciscaanse idealen, nl. dat wij mensen allemaal gelijk zijn, we houden nu eenmaal van al dat moois en we willen daarmee pronken: kijk mij eens!
Ieder wil op zijn eigen manier bijzonder zijn en zich op zijn best voordoen. Zelfs in het klooster zou dat volgens hem, met een knipoog, wel eens voorkomen. Tja, een broeder is ook maar een mens!
Br. Konrad kreeg overal gastvrij onderdak, vaak gratis kost en inwoning tijdens zijn verblijf in een dorpje. Hij was een bedelmonnik en had geen bezittingen, dus ook geen geschenken voor de gastvrije mensen. De enige manier om zijn dankbaarheid te tonen was het blij maken van de kinderen, want daarmee maak je de ouders ook blij. En zo beschikte hij over een zakje met ringen, waarschijnlijk door iemand geschonken aan het klooster, speciaal voor dit soort doeleinden. Ik vind het een prachtige traditie!
Wie was Br. Konrad, der braune Gipfelstürmer?
De brieven van Br. Konrad kwamen uit het kapucijnenklooster in Dornbirn. Daar was hij monnik. Het kapucijnenklooster Dornbirn ligt in het Vorarlgebergte in Oostenrijk. De deelstaat Vorarlberg ligt in het meest westelijke puntje van Oostenrijk, middenin het prachtige Bregenzerwald en vlakbij de Bodensee. In het district Bregenz ligt het plaatsje Andelsbuch.
Br. Konrad kwam uit Andelsbuch.
Aan het begin van de 17e eeuw was het daar nog een grote wildernis er er zou een weerbarstig, ruw volkje wonen. Je kon maar beter uit de buurt blijven, want rondom Andelsbuch zou het er niet pluis zijn! De katholieke bevolking kende in die tijd nog bepaalde tradities, die nog duidden op heidense voorouders.
Op een gegeven moment kwam er een kentering met de kapucijn Pater Stanislaus Sauerbeck (1595-1647). Deze pater stuurde zijn kapucijnenmonniken erop uit om dat heidens volkje in en rondom Andelsbuch te temmen. Ze zouden niet met open armen ontvangen worden, maar de broeders bleven volhouden, ze stapten op iedereen af om een praatje te maken. Ze voerden gesprekken over de levensomstandigheden, waarbij zijdenlings ook het geloof ter sprake kwam. Deze volhardende monniken gingen net zo lang door totdat het ijs gebroken was en dat ruwe volkje ontdooide.
In 1655 werd in het Niedere Andelsbuch-Bezau een kapucijnenklooster gesticht. In 1977 werd, na 320 jaar, het klooster overgedragen aan Poolse Franciscanen. Er waren te weinig Kapucijnen overgebleven.
Br. Konrad werd in 1911 geboren en groeide op in de schaduw van het kapucijnenklooster Bezau en het armenhuis daar vlakbij. Dit tehuis werd in 1788 opgericht voor de opvang van arme mensen.
Zou de aanwezigheid van Kapucijnen en hun betrokkenheid bij het armenhuis de jonge Konrad beïnvloed hebben? Het zou best kunnen dat hij om die reden voor het leven van kapucijn gekozen heeft.
Br. Konrad kwam in het Kapucijnenklooster van het provinciestadje Dornbirn. Voor de inwoners was het klooster en de aanwezigheid van de kapucijnen al van oudsher belangrijk. Het klooster werd in 1893 gesticht en zou tot 2004 de Kapucijnen herbergen.
In vroegere tijden, toen er nog geen klooster was, kwamen er al kapucijnenpaters uit Bregenz en omgeving. Ze kwamen op zon- en feestdagen naar Dornbirn om als preister de mis op te dragen. Populair was pater Anizet Riedinger (1740-1816); de mensen liepen met hem weg. Hij was al 40 jaar in het klooster van Bregenz werkzaam en kwam 36 jaar lang naar Dorbirn om de dienst te leiden en de biecht af te nemen. Hij stond bekend als de ‘predikant van Markt Dornbirn’.
Het Dornbirnse volk verlangde steeds meer naar een eigen klooster. In 1878 schonken de nazaten van de beroemde wijnhandelaar Matthias Thurnher een groot geldbedrag beschikbaar voor de bouw van een klooster. Vele geldschieters zouden zijn voorbeeld volgen, zo ook de rijke tante van Adolf Rhomberg (1851-1921), de minister-president van Vorarlberg. Het geld was er nu, maar nog geen bouwvergunning . . .
De aanvraag werd ingediend bij de leiding van de kapucijnenprovincie in Innsbruck. Pater Peter Damian Sepp O.F.M. Cap (1818-1899) besliste dat de gemeentepolitiek van Markt Dornbirn haar schriftelijke toestemming moest geven, maar de gemeente veegde het bouwplan van tafel. De minister-president was not amused en ging zich er nu ook mee bemoeien. Het volk had behoefte aan een kapucijnenklooster, zo schreeuwde hij:
“Die Kapuziner müssen her, wir brauchen sie!”
Toen zijn vrouw Anna ongeneeslijk ziek op bed lag en er geen sprankje hoop op verbetering meer was, deed hij zichzelf de gelofte, dat wanneer zijn vrouw toch weer gezond zou worden, hij persoonlijk dat klooster zou laten bouwen. En zie, als door een wonder genas zijn vrouw! De minister-president moest aan de bak! In het najaar van 1892 kreeg hij het voor elkaar dat het Provinzkapitel, de afgevaardigden tijdens de driejaarlijkse provincievergadering in Innsbruck, instemde met het bouwen van het klooster. De gemeente kon er niet meer omheen en in 1893 was het dan zo ver: een spiksplinternieuw klooster in Dornbirn!
In het klooster waren meestal acht paters aanwezig en een stuk of vijf broeders. Ze waren actief in de binnendienst en de verzorging van de kloostertuin. Daarnaast hielden deze kapucijnen zich ook bezig met taken buiten het klooster; de buitendienst. Ze bezochten als geestelijk verzorger bijvoorbeeld patiënten in het ziekenhuis en ze gaven godsdienstlessen aan scholen in de stad. De allerbelangrijkste taak bestond uit het afnemen van de biecht. Ze reisden daarvoor de hele omgeving af en tot aan Bregenz bezochten ze kerken, decanaten en parochies. Sommige kapucijnen gaven ook Exerzitien, oftewel retraites. Soms ook gingen ze zelf, na een drukke periode, of zoals Br. Konrad na een operatie, op retraite.
Naast de biecht, was ook het inzamelen van aalmoezen en levensmiddelen een zeer belangrijke taak. Op die manier konden ze mensen in nood, die aan de poort kwamen bedelen, of die op straat zwierven, helpen met voedsel en onderdak.
Na de Eerste Wereldoorlog verzorgden de Dornbirner Kapucijnen ruim driehonderd gevangenen, gewonden en vluchtelingen, maar ook werklozen, soms wel hele families! Iedereen kreeg hulp en ondersteuning. In de nazitijd vanaf 1938 tot en met 1945 werd het klooster allerlei beperkingen opgelegd. De kapucijnen mochten geen aalmoezen meer inzamelen en ook mochten ze noodlijdende mensen niet meer helpen.
In de jaren vanaf 1960 kwamen er andere problemen om de hoek kijken. Zo kregen ze te maken met drugs- en alcoholverslaafden, mensen die de weg kwijt waren door alles wat ze in de oorlog hadden meegemaakt. Bij al die problemen had het klooster ook nog te maken met een terugloop van Kapucijnen, waardoor het steeds moeilijker werd om alle taken naar behoren uit te voeren en iedereen te helpen. Het kloosterleven was niet meer populair en er traden te weinig jongeren in, terwijl de oude generatie aan het uitsterven was.
In 2004 moest ook Dornbirn eraan geloven, net als het klooster van Andelsbuch-Bezau, in de Heimat van Br.Konrad. Er moest afscheid genomen worden van de laatste drie overgebleven kapucijnen. Het klooster werd ook hier, net als in Andelsbuch-Bezau, overgenomen door Poolse Franciscanen. Br. Konrad heeft dit niet meer meegemaakt.
De laatste brieven van Br. Konrad
Het allerlaatste levensteken
Zodra ik gediplomeerd docent Duits en Nederlands was (1988), werd de briefaanhef van de broeder nóg mooier: “Sehr geehrtes liebwertes Fräulein Lehrerin!”. Het deed me goed om zo aangesproken te worden. Ik had graag een goede lerares willen zijn, maar ik wist beter, want dat liebwertes Fräulein werd op dat moment nog net niet door haar leerlingen gestrekt de klas uit gedragen!
Toen ik zijn laatste brief las, had ik nog geen idee dat dit zijn laatste wel kon zijn. Nu ik de regels aandachtig teruglees, komt het op mij over, alsof de broeder het al heeft voelen aankomen en klinkt de brief toch als een soort afscheidsbrief.
Hij had een beroerte gehad en dat was niet de eerste keer. Alhoewel hij wat opgeknapt was, kon hij toch niet alles meer. Door zijn handicap, waaruit dat bestond vermeldde hij niet, deed hij op dat moment alleen dienst aan de poort. Ondanks alles werd hij er toch weer op uitgestuurd, want hij moest weer auf Sammlung.
Dan schrijft hij over zijn laatste bezoek aan de bergen en volgt er een nogal vreemde groet : 'Nun - ungewollt (onbedoeld) - grüßt Sie und Ihre lb. Eltern der alte u. behinderte Br. Konrad O.M.Cap.' Bijgaand stuurt hij twee foto's die mij heel dierbaar zijn geworden. Het zou een afscheidsteken van hem geweest zijn.
Uit de Dornbirner Schriften:
Na de Tweede Wereldoorlog liep het aantal kloosterlingen in Dornbirn snel terug. In de jaren 1980 woonden er nog maar drie paters en een broeder, dat was Br. Konrad. In de jaren 1990 waren er nog maar twee paters en een broeder, Br. Konrad. Het waren allemaal mannen van boven de 70 jaar.
De in die tijd 79-jarige Br. Konrad Natter (dat was zijn famlienaam) moest bij gebrek aan alternatieven nog altijd zelf de PR doen en de nodige centen zien te genereren in Dornbirn en omgeving. Dat schrijft de broeder ook in zijn laatste brief. Hij moest vanaf 4 september 1990 dagelijks 'auf Sammlung'.
Er kwam een steeds hogere druk te liggen op de andere kloosterlingen toen Br. Konrad zwaarder ziek werd. Uiteindelijk moesten de anderen ook zijn dienst aan de poort en in de sacristie overnemen.
Heeft de jarenlange correspondentie mij wat geleerd?
De tijd waarin ik als kind plotseling in de bergen geconfronteerd werd met een 'bruine' monnik op mijn pad, ligt ver achter mij. In 2011 bezocht ik nog spontaan zijn toenmalige begeleider Elmar en samen hebben wij in de kloostertuin het graf van Br. Konrad bezocht. Dat was een bewogen moment. Wij hadden elkaar jarenlang niet meer gezien. We zijn beide getrouwd en leiden een eigen leven, waarin de broeder geen enkele rol meer speelt. Alhoewel?
In onze huiskamer staat de foto van onze eerste ontmoeting en een beeldje van de heilige Br. Konrad. Ik kon het niet laten tijdens een bezoek aan het bedevaartsoord Kevelaer. Nog regelmatig denk ik aan de broeder, maar ik kan niet zeggen dat ik iets van hem geleerd heb. Er is in elk geval geen sprake van 'toeval' dat de broeder op mijn pad kwam. Daar geloof ik niet in.
Er is wel een soort van 'respect' gekomen voor deze kapucijnenorde. Ze leven sober en trekken zich het lot aan van de 'mindere' in de maatschappij. Vooral in deze tijd van sociale media besef ik al te goed dat je niet hier op aarde bent, om jezelf in de spotlights te zetten. Het gaat om iets veel diepers en daarmee bedoel ik de instelling van de Heilige Franciscus van Assisi: je inzetten voor de medemens, ontzag hebben voor alles wat de natuur ons te bieden heeft en daar verantwoord mee omgaan. Het gaat niet om bezit van materiële zaken, maar om geestelijk 'bezit'. Misschien is het dat wel, wat de broeder mij geleerd heeft: zet je 'ik' niet op de voorgrond, maar juist 'de ander'. Zo heeft hij ook geleefd. Zelfs toen hij bijna niet meer kon, is hij toch op pad gegaan voor het hogere doel. Wij zouden zeggen: 'En dóór!' Ik heb een diepe bewondering voor de kloosterorden die zich ten doel gesteld hebben, te leven á la Franciscus van Assisi en diens 'zonnelied'. Br. Konrad was er een voorbeeld van.
In Erinnerung an Br. Konrad 1911-1990